Een Alkmaarse jongen op oorlogsavontuur.

Een Alkmaarse jongen op oorlogsavontuur.

Fines

Negentien is Rikus Kleverlaan als op 13 april 1949 een brief op de mat ploft van het Ministerie van Oorlog: een oproep voor militaire dienst om te vechten in Indonesië. Zijn broer Henk is dan al twee jaar eerder gegaan als vrijwilliger. Rikus woont dan met zijn moeder en twee zussenTiny en Cora aan het Verdronkenoord  51. De binnenstad van Alkmaar is dan nog een levendig centrum met veel winkeltjes, scholen, kerken en kleine werkplaatsen. En bijkomend van de oorlogsjaren met vooral schaarste als ruim voorradig.

Moeder Kleverlaan ziet het vertrek van Rikus met lede ogen aan. Een tweede zoon die te vechten gaat, als dat maar goed komt. Ze kan hem ook slecht missen want Rikus is de handige jongen in huis. En ze heeft het al zo zwaar sinds haar man in 1934 jong aan tbc is overleden. Die had, samen met zijn broer, een kwekerij aan de Poppemanslaan en een bloemenwinkel aan de Hekelstraat. Rikus’ moeder, die er nu alleen voor staat, gaat werken in de zaak van haar familie, Wasserij Schoen. Het is een zware klus om haar vier  kinderen op te voeden gecombineerd met lange dagen werken.

Maar Rikus zelf heeft er zin in, Indonesië ziet hij als een avontuur. Tenslotte waren de oorlogsjaren en de periode erna beknellend voor een opgroeiende jongen.  Opgewonden stapt hij op de trein, na eerst nog uitgebreid met zijn moeder op de foto te gaan. Voor zijn ouderlijk huis, in zijn nieuw aangemeten soldatenuniform. Het echte leven kan beginnen.

Na de rijopleiding in Vught en drie weken verveeld varen komt hij aan in Indonesië. Hij wordt overvallen door de pracht van de natuur van het land. Vooral de talrijke groene kleuren verbijsteren de eenvoudige Alkmaarse jongen. En ook verbazingwekkend: ze lopen allemaal op blote voeten. Het snikhete wollen soldatenoutfit wordt ingeruild voor tropenkleding en via de havenstad Belawan in Noord Sumatra gaat het naar Medam, ook wel de dodenweg genoemd vanwege de vele hinderlagen van de vijand. Dat zet wel meteen die toon. Na weer zes weken opleiding wordt Rikus ingedeeld bij een stafeenheid waar hij niet meer weg zal gaan gedurende de oorlog. Hij komt op een watertankauto, een Dodge. Het materiaal waarmee Nederland de oorlog in gaat is overal vandaan geschraapt. Deze auto komt uit het Amerikaanse leger.

Zijn taak bestaat uit het inhalen van schoon water uit het Tobameer en dat uitrijden naar de buitenposten. Want waterleidingen zijn er niet en de waterputten vergiftigd. Vaak rijdt hij alleen in zijn vrachtautootje en regelmatig fluiten de kogels hem om de oren. Maar bang is hij niet, gewoon vol gas geven en het gevaar achter je laten. Zoals gezegd, angst kent hij niet, daar is hij het type niet voor. ’s Avonds zorgt hij dat hij op tijd terug is op de kampong bij zijn maten. Dat voelt telkens als thuiskomen.

Van de mannen in de buitenposten hoort hij wel dat het leven daar andere koek is. Met zware geweren moeten de tirailleurs patrouilles lopen, banjeren door de sawa’s en altijd rekenen op hinderlagen. Ze leveren slag met zwervende Japanners die zijn achtergebleven uit een eerdere oorlog of met Indonesische opstandelingen. En lang niet allemaal komen die jongens weer thuis.

Als de vrede getekend is mag hij terug naar huis, hij is dan anderhalf jaar onder de wapenen geweest. Na een terugreis van weer drie weken op de ss Groote Beer komt hij aan in Rotterdam om vervolgens met de bus afgezet te worden op de Laat in zijn woonplaats Alkmaar. Het was een mooi avontuur vond ie zelf en zijn moeder is dolgelukkig dat ze Rikus weer in haar armen kan sluiten. Broer Henk is dan al een paar maanden eerder veilig thuisgekomen.

Rikus kan lang slecht aarden in het grijze Holland. Hij gaat na een tijdje aan het werk bij meubelwinkel Sidonius de Jong aan de Mient, er moet tenslotte wel geld op de plank komen. De beelden van de oorlog spoken nog wel een tijdje door zijn hoofd maar tenslotte vervagen die ook weer. Ook zoekt hij zijn oude vrienden Jos Overtoom, Rinus Berghuis, Ferry Karsen en Bart de Lange op om de binnenstad van Alkmaar weer onveilig te maken. Later zal Rikus trouwen met een zus van Jos Overtoom, Joke, een van de tien dochters uit het gezin dat aan de overkant woont, naast de Laurentiuskerk. Het mooie leven is dan voorbij, de verantwoording roept.

Maar Indonesië was een mooi avontuur, dat pakken ze hem nooit meer af.

De natuur als peepshow.

De natuur als peepshow.

Fines

Aanrader voor mocht je ooit in München terecht komen: bezoek de Botanischer Garten Nymphenburg. Een oase van rust in een overigens keurige grote wereldstad. Een overvloed aan bloeiend natuurgoed staat je te wachten, die hebben geen last van de corona. Wij wel van het mondkapje maar eenmaal binnen mag hij af. En is het werken geblazen. Dat laatste slaat vooral op achter al dat zoemende bestuivende insectenwerk aanjagen Want poseren is er zelden bij, de vijand loert tenslotte op zijn kans. Die man met zijn enorme lens op een paar centimeter afstand heeft dezelfde dreiging in zich. Dus is het zaak handig te worden in snel scherpstellen en afdrukken. Ik moet toegeven: ik heb daar nog iets in te leren.

Maar deze twee libelles hadden het veel te druk met elkaar om zich aan mij te storen. Op kousenvoeten betreed ik hun wereld en het duurt even voordat ik me realiseer wat ik zie. Ik waan me weer even als de puber in de peepshow op de Kalverstraat: opgewonden en verbaasd.  En ook lekker: ik krijg alle tijd om goed aan te leggen. Dit parende stel azuurwaterjuffers zit intensief in de paringsdaad. Thuis als ik het vastgelegde beeld op mijn scherm heb staan zoek ik het verder uit. Het hele ritueel gaat ongeveer zo: mannetje waterjuffer vangt vrouwtjewaterjuffer en dan is het onder dwang aankoppelen. Mijn libelle-expert spreekt van een paringswiel en helemaal gek is dat woord hier niet. Mannetje pakt vrouwtje beet met achterlijfaanhangsel, vrouwtje klampt als een soort dockingstation aan bij het mannetje waar de spermavoorraad opgehaald kan worden. Er schijnt zelfs een borsteltje bij het mannetje te zijn die het sperma van een eventuele andere kandidaatminnaar kan weghalen. Dan snapt u het al: er is over nagedacht.

De hele macro-wereld is trouwens een rustgevende toestand. Voor mij dan. De wereld van de kleine beestjes maakt dat je verstild. Soms is het zó mooi dat ik kan blijven kijken naar mijn grote dtp-scherm waar al dat leven tot in detail te bewonderen is. De tekeningen op de lijfjes van bijen, het stuifmeel aangehaakt op zijn beharing, maar ook de kleuren van bloemen, meeldraden: je bek valt gewoon open. Zo mooi. Nadeel van moeder natuur is alleen wel dat the sky the limit is. Het houdt nooit op en dat maakt dat ik moet begrenzen, ook in waarom ik het doe. Ik heb die begrenzing onderhand wel gevonden: ik doe het vooral voor mezelf en ik word er blij van. Een mooie tegenhanger voor het (media)coronagezeik van deze tijd. En de natuur is (bijna altijd) nog gratis ook. En soms schrijf ik er ook nog een stukje over, kan je meegenieten.

Mopper de mopper.

Mopper de mopper.

Fines

De hele dag wil het al niet vlotten en mijn humeur leidt daar onder. Wel jammer, want ik ben op vakantie en dat moet toch een gezellige boel zijn zou je zeggen. Niets daarvan, ik mopper vandaag op van alles en nog wat. Laat ik u eens deelgenoot maken van zo’n dag.

Die verdomde mondkapjes die je hier in Duitsland overal moet dragen. Zin in koffie? Daar komt de gemaskerde ober al aangepuft. Heeft een zakdoek voor zijn mond die hij de hele dag al draagt. En het is nu vier uur, lust u nog wat? Maar onze oosterburen hoor je er niet over, iedereen is hier strikt in de regels. Ook wel een kwaaltje van ze weten we. Mopper 1 dus. Alhoewel, na een tijdje went het ook nog, ik heb standaard het attribuut in de broekzak of wielrenshirt zitten. Want je lust ook wel eens wat onderweg.

Waar ik me ook dood aan erger is de overdaad aan nieuwe auto’s hier, vaak dure jongens. Er zit geen afgetrapt apparaat tussen. Geen idee waarom ik me daar over opwind maar het stoort me mateloos. Navraag leert dat Bayern dik in de centen zit en vergrijsd. Duidelijk Mopperpunt 2. Ik zie dat ook bij de gepensioneerden van ons in Nederland. Allemaal nog een keer een nieuw karretje aanschaffen. Helpt geen reet kan ik ze vertellen, je wordt er niet jonger van. Je kan beter zorgen dat je actief voor je zelf en de samenleving blijft, veel beter voor je. En geef je geld aan mensen die het beter kunnen gebruiken, dien je ook nog een goed doel.

Die klotemotoren, Mopper 3. Ik kan geen leuk bergweggetje bestijgen op m’n racefiets of daar komt weer zo’n colonne motoren aan. Ze redden het net om hun dikke pens op die absurtdure Harley’s te hijsen, en dan maar lekker toeren met z’n allen. Ik maakte het een keer mee dat we 130 kilometers gefietst had, stikhete dag dus een biertje hadden we wel verdiend bij aankomst slaapherberg.  Tegelijkertijd arriveert een groep motormannen. Er moest eerst gerookt worden, daarna snel bier halen en uitpuffen; er was hard gewerkt vandaag met dat toeren door de Eiffel vonden ze.

Ik heb vandaag een lekkere bergrit bedacht op mijn racekarretje. Bepakt en bezakt wil ik afreizen, blijk ik mijn bandewippers niet te kunnen vinden. Onder luid gevloek haal ik alles overhoop, maar onvindbaar. Ik Mopper (4) mezelf toch maar op mijn fiets biddend dat de lekke band uitblijft. Waarom raak ik toch altijd van alles kwijt? Mopper 5: er is een lid van mijn voetbalclubje overleden bij de training. En ik zit in Zuid-Duitsland. De boel is in rep en roer daar en ik voel me machteloos. Ik wil iets betekenen en dat kan maar mondjesmaat. Daar word ik niet blij van. Mopper 5 dus.

Ik zou nog veel meer willen mopperen vandaag. Dat we eens moeten stoppen alles online te kopen, niet klakkeloos de wereld over moeten vliegen vanwege je dikverdiende tussenjaar, ik baal van die electrische MTB’s met fossielen erop die zo graag ook een spannende fietstocht willen maken. En me nog bij kunnen houden ook. Maar al dat gemopper helpt me niks. Het zit tussen m’n oren, ik ben de Luther van de Calvinisten. Doe gewoon en beteken wat. En hou het sober. Lukt mij ook niet altijd trouwens, moet wel eerlijk blijven.

Gelukkig heb ik vandaag ook twee verheugzaken. Een daarvan is dat vanwege de corona er hélémáál geen Nederlanders te vinden in Zuid-Duitsland. Heerlijk, we voelen ons een beetje bijzonder met onze gele nummerplaten. Alsof we Livingstone zijn in Donker Afrika maar dan anders. Ik mis mijn luidruchtige landgenoten voor geen meter. En ook een beetje leuk: ik word morgen 62. Dat heb ik toch maar mooi gehaald. En er is me een passend cadeau beloofd. Mijn mopperbui lost ter plekke op met dit goede nieuws.

Naschrift: ik heb van mijn vrouw en kinderen een seminar  ‘ademhalen in een ijsbad’ gehad, de zgn. Wim Hof Methode.  Kans dat het een nieuw mopperitem wordt maar mij is bezworen dat ik er beter van ga worden. Ik laat u weten wat de bevindingen waren als ik het overleefd heb.

Een leven lang katholiek

Een leven lang katholiek

Op een prachtige vroege Hemelvaartochtend, zwervend en fotograferend door de binnenstad kwam ik terecht bij mijn oude lagere (jongens)school, de Sint Aloysiusschool. Vernoemd naar de beschermheilige van de pestlijders en stond tevens symbool voor kuisheid tegen seksuele verzoekingen. Ik denk niet dat ik daar enige weet van had in die tijd. Deze tijden begin jaren zestig werden gekenmerkt  door grote gezinnen en een trouwe kerkgang met het hele gezin. Alhoewel achteraf geconstateerd kan worden dat toen al de decimering van zowel de aantallen kinderen als het kerkbezoek was ingezet. Mijn ouders deden in ieder geval nog wel dapper mee met zeven kinderen en elke zondag plaats te nemen in de banken van de St. Josephkerk. De Aloysiusschool bevond zich aan de Koornlaan, een eindje weg van de Oranjelaan waar we woonden. Er was weliswaar De Lindeschool halverwege maar Katholiek werd geprefereerd boven Openbaar dus het was nog even doorsteppen. Want dat was lang mijn vervoersmiddel in die tijd. Aan een fiets was je nog niet zomaar aan toe.

Onderwijs werd gegeven door een mengeling van broeders en leken. Met illustere namen als broeder Guliëlmo, broeder Benedictus en broeder Edward. Maar er was ook een juffrouw Pekelharing, ongetrouwd natuurlijk. Vooral broeder Benedictus, Ballie bijgenaamd kon, indien daar aanleiding toe was, je nekvel venijnig omdraaien tussen duim en wijsvinger. Je was gewaarschuwd. Broeder Guliëlmo had me ook eens een hardhandige corrigerende klets voor m’n kop gegeven. Er thuis over zeuren kwam niet in je op, meestal had je wel wat uitgespookt.

Alles droop van het Roomse Geloof en een strakke aansturing. Alles om ons druistige jongeren in het gareel te houden en de benodigde (bijbelse) kennis bij te brengen. Afgezien van het eerder aangedane fysiek leed voelde ik me wel op mijn gemak in die structuur. En deed ik mijn best om gewaardeerd te worden en een veilig plekje in de banken te hebben in die overvolle klas. Met als hoogtepunt dat ik mijn vinger opstak toen de vraag kwam wie beschikbaar was om misdienaar te worden in de Josephkerk. Ik kwam een stapje dichterbij God. Mijn ouders steunde mijn keuze natuurlijk.

De inwijding in de rituelen van de Heilige Mis was nog een hele uitdaging. Net als de mis zelf. Een heuse verkleedpartij in de sacristie ging er aan vooraf en de vriendelijke koster Hageman zag er op toe dat alles netjes gebeurde. Wij misdienaars liepen plechtstatig de kerk in en maande met de bel de mensen in de banken om te gaan staan. De Mis kon beginnen en wij misdienaars stonden scherp. Het was namelijk nog niet zo heel eenvoudig om de juiste handelingen te verrichten op het juiste moment. Rinkelen met bellen, knielen, staan, kelken halen, het was nog een heel gedoe. En dat met een volle Kerk gelovigen achter je die kritisch meekeek.

Helemaal spannend werd het als er een begrafenis was. Dat was extra goed opletten, de rituelen waren dan anders en scherpe communicatie met de priester was noodzakelijk. Zo werd er onder andere wierook gebruikt, blijkbaar om het afscheid van de overledene te bevorderen. Tenslotte had deze nog een hele reis te gaan naar het Hiernamaals. Afzien waren de mei- en oktobermaand. Dan waren er op woensdagavond de rozenkransgebeden. In mijn herinnering een eindeloze reeks van herhalende weesgegroetjes. Als misdienaar moest er te pas en onpas geklingeld worden, wegsuffen was er niet bij. Ook werd ik regelmatig ingezet bij de dienst van Alkmaarse  Italiaanse families (o.a. de Indri’s) die in de kerk van het vrouwenklooster van de zusters van Onze Lieve Vrouwe van Amersfoort (poeh) elke maand een eigen dienst hadden inclusief een stevige lunch. Ik weet nog goed dat ik een olijf als druif aanzag, een bittere aanvaring met een andere keuken als de mij vertrouwde Hollandse. Deze kerk was trouwens ook de plek waar mijn broer Simon trouwde met zijn jeugdliefde Loes. Later vertrouwde hij me toe dat hij op het altaar al dacht: waar ben ik aan begonnen. Een jaar later was hij gescheiden.

Terugkijkend was er toch geen moment van twijfel, ik liet het warme Roomsche Bad me welgevallen. Alles wat ik aan familie kende was katholiek tot in de haarvaten, ik wist niet beter. Mijn kindertijd werd bepaald door deze contouren, tot en met het voetballen bij RKAFC (later AFC’34), want vooral daar beroerden katholieken gezamenlijk de bal. Tegen de goddelozen voetballen was geen probleem, maar we hielden het wel een beetje zuiver. Anders kwam wellicht het hiernamaals in de knel. Toen ik na de lagere school naar het internaat Hageveld ging bleef de kerk volhardend aan me kleven. Dit oud Klein Seminarie was nog maar net getransformeerd tot een openbare school maar het Roomsche zat goed verankerd in zijn fundament. Tot mijn verbijstering kwam ik trouwens weer in een jongensklas terecht, de dames kwamen pas in beeld in de tweede klas, die bleven nog een mystiek geheim . En natuurlijk was een deel van het lerarenkorps priester. Maar langzamerhand was ik beland in de seventies en deze godsdienaren waren zo modern als ze zijn konden. Goede lesmethodes, veel expressieve vakken en eindeloze discussiegroepen. Neemt niet weg dat het eerste jaar een drama was voor een 12-jarige moederkind, maar de volgende jaren vond ik beter mijn weg. Alles went tenslotte, zelfs een jongensinternaat.

En nu wordt de Sint Josephkerk verbouwd tot appartement, is mijn lagere school een kinderopvang geworden en konden we voor mijn vader nauwelijks een priester vinden voor zijn uitvaart. Wat me verbaasde was dat mijn vader zich aan het eind van zijn leven liet ontvallen dat hij vooral praktiserend katholiek was. Tenslotte waren de katholieken voor een groot deel verantwoordelijk voor de opdrachten die hij kreeg als architect. Dat dan weer wel. En ik zelf heb me ook nooit helemaal laten uitschrijven bij de kerk, je weet maar nooit waar het goed voor is. Al is het maar om aan de hemelpoort Petrus je lidmaatschapskaart te kunnen laten zien.

Shit & inspiratie

Shit & inspiratie

Ooit als zelfportret voor de fun genomen. Ik was er zelfs zó enthousiast over dat ik de foto in de gang gehangen had, thuis. Waar hij bij mijn huisgenoten  vervolgens zoveel emoties opriep dat dringend geadviseerd werd hem te verwijderen. Dit beeld is natuurlijk akelig actueel geworden nu, alhoewel de mondkap zelf al een paar jaar geldeden aangeschaft was, in Vietnam. Daar was de luchtverontreiniging in de hoofdstad Hanoi zo bar dat het een standaard kledingstuk op de openbare weg was.

Voor de facebook-pagina van mijn voetbalclubje Alcmaria Victrix interviewden we, veelal jonge, leden die in de zorg werkten. Met als uitdagende titel: Alcmarianen aan het front.’ Dat leverde imponerende verhalen op die veel bevlogenheid lieten zien. Maar ook de impact op emotioneel gebied. Daar konden de vele artikelen van de krant en tv niet tegenop. Als het in je directe omgeving speelt maakt het toch meer indruk. Vaak stuurden ze ook nog een selfie gemaakt in hun werkomgeving, bewapend met schort, handschoenen en mondkapje. Zo hadden we nog niet naar ze gekeken.

Het is toch ook mooi te ervaren hoe al mijn medeclubleden het voetbal-gedoe missen. Niet meer de vertrouwde gang maken naar dat clubhuis, je maten spreken, samen hollen op een groen veld, biertje halen bij Nanda, met slappe benen naar huis fietsen. Sinds kort ben ik ook nog eens in het bestuur gestapt. Een plek die ik bezworen had nooit te zullen vervullen. Maar na een bestuurscrisis waarbij voorzitter en secretaris tegelijk opstapten was er toch een dringend intern (bij mezelf dan) signaal dat hier verantwoording was te nemen. Veertig jaar plezier bracht zijn verplichting.  En we konden meteen aan de bak: de club door de corona-perikelen helpen.

Gelukkig draaide ik al op het juiste toerental omdat dezelfde crisis ook mijn inspirerende bedrijf  ICT vanaf Morgen getroffen had. En niet alleen op financieel gebied. Wat de ene week nog een bruisend centrum was met vijfendertig leergierige jongeren was op het andere moment verworden tot een lege echoput. Alles wat je nou net niet wilde gebeurde: ze kwamen thuis te zitten, daar waar we met heel veel energie en geestdrift ze juist vandaan hadden gehaald. En dan is het toch handig als je wat ouder en ervarener bent en een paar stormen hebt overleefd als ondernemer. Dan weet je snel aan welke knoppen je moet draaien om er weer de gang in te krijgen.

Zo communiceren we ons suf. Want dat is weer handig van deze tijd  Ik vlog  (nieuws van de directeur!), bel, app en mail om ze te ondersteunen hoe om te gaan met hun angsten voor dit geheimzinnige coronamonster. Want we willen ze terugzien, dan maar met anderhalve meter tussenruimte en veel handenwassen. En soms, soms denk ik: hoest ik zelf niet wat te vaak, en hoe zou het mij vergaan als ik het had? Maar ik sterk me aan mijn schoonmoeder: dik in de 80 en toch de deur uit durven gaan. Want ‘als het haar tijd is is het haar tijd’. Misschien moet ze mijn Vietnamees mondkapje maar een tijdje lenen. Ze kan nog niet gemist worden, haar kinderen kunnen namelijk nog niet zonder haar.