In onze vakantie in Frankrijk belanden we in een piepklein dorpje: Le Petit-Bornand-les-Glières om precies te zijn, ergens bij Annecy en we puffen van de hitte. In het kleine kerkje naast de camping piep ik naar binnen. Niet alleen is het er heerlijk koel, ook is het er muisstil; stilte die iets doet met je.
Vroeger was ik een ogenschijnlijk vroom jongetje. Ik was misdienaar, deed eerste en tweede communie met handjes gevouwen en oogjes dicht. Kwam vooral omdat ik op een katholieke school zat, de Aloysiusschool aan de Koornlaan. Net als al mijn broers overigens. Mijn zussen zaten aan de overkant, de St. Agnesschool. Alles keurig gescheiden natuurlijk. Zondagochtenden waren standaard ingepland voor kerkbezoek, de hulpkoster kon niet altijd van me afblijven maar dat liet ik maar gebeuren.
Het katholieke geloof was goed geworteld bij de Overtomen. Niet alleen woonden ze naast de Laurentiuskerk aan het Verdronkenoord, mijn opa was chef kerkonderhoud Noord Holland Noord in een periode van net voor de oorlog tot ver in de jaren zeventig. Hij laveerde communicatief behendig tussen vicarissen, pastoors en kapelaans. Mijn oma was overigens nog vromer dan de heilige Maria. En voor alle vijftien kinderen (waaronder mijn vader) gold dat hun dagelijkse leven voornamelijk plaatsvond in die grote katholieke gemeenschap. Ze bezochten trouw de kerk, de mannen voorzagen de missen, trouwpartijen en uitvaarten van passende muziek. Want muziek was de grote passie van mijn familie. De tien zussen zaten overigens gewoon in de banken, soms mochten ze kerkboekjes uitdelen bij de ingang. Kapelanen die in huize Overtoom op de koffie kwamen legden wel eens een hand op de bil van een van de zusjes. Dat werd maar voor lief genomen. Daar gingen we geen ruzie om maken.
Terug naar het kerkje in Frankrijk. Het is een heel eenvoudig kerkje. Weinig protserig zilverwerk, hout op de vloer en een eenvoudige statievoorstelling. Zo was het toch ooit de bedoeling denk ik dan. Nu haakt vrijwel iedereen af, ieder met een eigen reden, inclusief mijn familie. Ze voelden zich wel katholiek, maar misten blijkbaar iets waardoor thuisblijven beter voelde.
Laatst was ik op een verre reis met een groep mannen die gelovig was. Ze baden voor de maaltijden. Om te danken voor de dag, het eten en de mooie dingen die ze hadden ervaren. Ik mompelde wat opgelaten mee. Het sprak me wel aan, dankbaar zijn voor wat er is. Is dat misschien wat we met zijn allen uit het oog verloren zijn?